Jan en Marie hadden 13 jaar een relatie, waarvan ze de laatste 7 jaar samenwoonden, toen Jan overleed. Jan was, vóór zijn relatie met Marie, twee keer getrouwd en weer gescheiden en uit zijn tweede huwelijk had hij twee volwassen dochters. Met deze dochters had hij ruzie, hij had al jaren geen contact meer met hen.

Voordat Jan een relatie kreeg met Marie had hij twee levensverzekeringen afgesloten. Daarin was een zogenaamde standaardbegunstiging opgenomen: bij de ene polis waren als begunstigde achtereenvolgens aangewezen de verzekeringnemer, zijn echtgenote, zijn kinderen en zijn erfgenamen; bij de andere polis zijn weduwe, zijn kinderen en zijn erfgenamen.

Jan en Marie hadden een samenlevingscontract. In de tijd dat Jan en Marie gingen samenwonen maakte Jan daarnaast een testament waarin hij Marie aanwees als zijn enig erfgename. Zijn dochters werden onterfd. Voor het geval Marie eerder dan hij of tegelijk met hem mocht komen te overlijden, werd het KWF tot erfgenaam benoemd.

Toen Jan zes jaar later ongeneeslijk ziek werd heeft hij een aanvullend testament gemaakt, waarin hij herhaalde dat Marie tot enig erfgename werd benoemd, onder meer ter voldoening aan zijn dringende verplichting om haar verzorgd achter te laten.

Na de dood van Jan meldden de dochters zich: Zij maakten aanspraak op de uitkeringen uit de levensverzekeringen, nu zij als begunstigden waren aangewezen. Volgens de tekst van de polissen was dat standpunt juist. Marie echter stelde zich op het standpunt dat Jan deze uitkeringen aan haar had willen nalaten. Jan was er, aldus Marie, ook van uit gegaan dat alles goed geregeld was door Marie als enig erfgenaam aan te wijzen.

Marie stapte naar de Rechtbank, maar daar trok zij aan het kortste eind. Ze liet het er echter niet bij zitten en ging in hoger beroep bij het Gerechtshof. Het Gerechtshof kwam tot de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de dochters zich op de begunstiging in de polis zouden beroepen.

Het Hof motiveerde dit door te verwijzen naar het samenlevingscontract, de testamenten en een verklaring van de notaris, waaruit bleek dat Jan Marie zo goed mogelijk verzorgd wilde achterlaten. Dit was alleen mogelijk als de uitkeringen van de verzekeraars aan haar ten goede zouden komen, want het huis van Jan en Marie stond onder water en voor het overige was er geen vermogen.

De dochters hebben zich hier niet bij neergelegd en zijn in cassatie gegaan bij de Hoge Raad.

Dit verhaal heb ik niet verzonnen (de namen wel), het is echt gebeurd en de cassatieprocedure loopt nog. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad heeft op 13 april 2018 geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De door het Hof in aanmerking genomen (bijzondere) omstandigheden kunnen naar de mening van de advocaat-generaal het oordeel van het Hof dragen. Het woord is nu aan de Hoge Raad; ik ben benieuwd of die de advocaat-generaal zal volgen.

In deze casus wijst alles er op dat het inderdaad de bedoeling van Jan is geweest om de uitkeringen na te laten aan Marie. Dat maakt dat in ieder geval het Hof en de advocaat-generaal van mening zijn dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de tekst in de polissen kan worden afgeweken.

Dit zal echter niet altijd zo duidelijk zijn. Ik adviseer u daarom eens goed naar uw levensverzekeringspolissen te kijken en de begunstiging te wijzigen als deze niet overeenkomt met uw wensen, nu u dat zelf nog kunt. Daarmee voorkomt u dat uw nabestaanden na uw dood verwikkeld raken in een juridisch steekspel en dat het dubbeltje een andere kant op valt dan u gewild had.